Cernevit Fl. 10
Op voorschrift
Geneesmiddel

Cernevit Fl. 10

  € 85,88

information-circle Terugbetaalbaar

Als je recht hebt op een terugbetaling voor dit geneesmiddel, betaal je in de apotheek een verlaagde prijs en niet de prijs die op onze webshop vermeld staat.

Terugbetalingstarief

€ 85,88 (6% inclusief btw)

Verhoogde tegemoetkoming

€ 85,88 (6% inclusief btw)

Belangrijke informatie

Voor dit geneesmiddel is een voorschrift nodig. Na beoordeling door de apotheker kan je het komen afhalen en betalen in de apotheek.

Niet beschikbaar

Neem contact op met ons via telefoon of e-mail, dan bekijken we samen de mogelijkheden.

Waarschuwingen Overgevoeligheidsreacties  Er zijn ernstige systemische overgevoeligheidsreacties gemeld bij CERNEVIT, bij andere multivitaminepreparaten en bij afzonderlijke vitaminen (waaronder B1, B2, B12 en foliumzuur). Er zijn reacties met een dodelijke afloop gemeld bij CERNEVIT en andere vitamineproducten die via parenterale weg worden toegediend (zie rubriek Bijwerkingen).  Er werden kruisallergische reacties waargenomen tussen soja-eiwitten en pinda-eiwitten.  In sommige gevallen kunnen de verschijnselen van een overgevoeligheidsreactie tijdens de intraveneuze toediening van multivitaminen met de toedieningssnelheid te maken hebben. De toediening van CERNEVIT via intraveneuze infusie moet langzaam worden uitgevoerd. In geval van intraveneuze injectie moet de injectie langzaam worden uitgevoerd (tenminste 10 minuten).  De infusie of de injectie moet onmiddellijk worden gestopt als er tekenen of symptomen van een overgevoeligheidsreactie ontstaan. Vitaminetoxiciteit  Om een overdosis en toxische effecten te voorkomen, vooral van vitamine A, D en E, moeten de klinische toestand en de vitamineconcentraties in het bloed van de patiënt regelmatig worden gecontroleerd, in het bijzonder bij patiënten die extra vitaminen via andere bronnen toegediend krijgen of die andere middelen gebruiken die het risico op vitaminetoxiciteit vergroten.  Voorzichtigheid is dan ook geboden wanneer CERNEVIT wordt toegediend aan patiënten die lijden aan symptomatische hypercalciëmie (bv. kalkstenen, encefalopathie) veroorzaakt door een teveel aan vitamine D. Gezien het risico op verwikkelingen van hypercalciëmie, dient CERNEVIT voorzichtig te worden toegediend aan patiënten die lijden aan primaire hyperparathyroïdie of aan met patiënten een maligne aandoening die gepaard gaat met secundaire hypercalciëmie. De toediening van calcium en vitamine D dient zorgvuldig gevolgd te worden bij deze patiënten.  Een controle is met name belangrijk bij patiënten die gedurende langere tijd een supplement toegediend krijgen. Hypervitaminose A  Het risico op hypervitaminose A en vitamine A-toxiciteit (bv. huid- en botafwijkingen, diplopie, cirrose) is bijvoorbeeld verhoogd bij: - patiënten met eiwitondervoeding, - patiënten met nierinsufficiëntie (zelfs zonder supplement van vitamine A), - patiënten met leverinsufficiëntie, - patiënten met een kleine gestalte (bv. pediatrische patiënten) en - patiënten die chronisch worden behandeld.  Een acute hepatopathie bij patiënten met een verzadigde voorraad vitamine A in de lever kan leiden tot het optreden van vitamine A-toxiciteit. Onaangepast refeeding syndroom bij patiënten die parenterale voeding krijgen Sterk ondervoede patiënten opnieuw voeding geven, kan leiden tot een onaangepast refeeding syndroom dat wordt gekenmerkt door de intracellulaire verschuiving van kalium, fosfor en magnesium naarmate de patiënt anabool wordt. Er kan ook thiaminedeficiëntie en waterretentie ontstaan. Met een zorgvuldige opvolging en een geleidelijk aan hogere opname van voedingsstoffen, zonder te leiden tot overvoeding, kunnen deze complicaties voorkomen worden. Als er voedingstekorten optreden, kan een geschikte aanvulling gerechtvaardigd zijn. Vorming van neerslag bij patiënten die parenterale voeding krijgen Er is vasculaire neerslag in de longen gemeld bij patiënten die parenterale voeding kregen. Sommige gevallen hadden een dodelijke afloop. Overmatige toevoeging van calcium en fosfaat verhoogt het risico op vorming van calciumfosfaatneerslag. Er zijn ook meldingen van neerslag zonder fosfaatzout in de oplossing. Distale neerslag van de in-line filter en vermoede vorming van neerslag in de bloedbaan zijn ook gemeld. Naast het inspecteren van de oplossing moeten ook de infusielijn en de katheter regelmatig op neerslag worden gecontroleerd. Als er tekenen van ademnood optreden, moet de infusie onmiddellijk worden gestopt en een medisch onderzoek worden uitgevoerd. Voorzorgen bij gebruik Effecten op de lever  Bij patiënten die CERNEVIT toegediend krijgen, is regelmatige controle van de leverfunctieparameters aanbevolen. Een bijzonder nauwgezette controle is aanbevolen bij patiënten met geelzucht als gevolg van leverproblemen of met andere tekenen van cholestase. Bij patiënten die CERNEVIT kregen zijn gevallen van verhoogde leverenzymwaarden gemeld, waaronder op zichzelf staande verhogingen van alanineaminotransferase (ALAT) bij patiënten met een inflammatoire darmziekte (zie rubriek Bijwerkingen). Aangezien een verhoging van transaminases vastgesteld is bij enkele patiënten met een evolutieve inflammatoire enterocolitis, is het aangeraden de transaminasespiegels te controleren bij dergelijke patiënten. Er is ook melding van een verhoging in de galzuurwaarden (totale en afzonderlijke galzuren, waaronder glycocholzuur) bij patiënten die CERNEVIT kregen. Vanwege de aanwezigheid van glycocholzuur moet een nauwgezette monitoring van de leverfuncties worden uitgevoerd in geval van een herhaalde en langdurige toediening aan patiënten met geelzucht van hepatische oorsprong of een ernstige biologische cholestase.  Van lever- en galaandoeningen, met name cholestase, hepatische steatose, fibrose en cirrose, mogelijk leidend tot leverinsufficiëntie, evenals van cholecystitis en cholelithiasis is bekend dat deze kunnen optreden bij sommige patiënten die parenterale voeding krijgen (waaronder vitaminesupplementen die via parenterale weg worden toegediend). Vermoedelijk is de etiologie van deze aandoeningen te wijten aan diverse factoren die van patiënt tot patiënt kunnen variëren. Patiënten bij wie afwijkende laboratoriumparameters of andere tekenen van lever- en galaandoeningen ontstaan, moeten in een vroeg stadium worden beoordeeld door een ziekenhuisarts met een grondige kennis van leveraandoeningen, om mogelijke oorzakelijke of bijdragende factoren vast te stellen, en om te beslissen over mogelijke therapeutische en profylactische interventies. Gebruik bij patiënten met een afgenomen leverfunctie Bij patiënten met leverinsufficiëntie kan een individueel afgestemd vitaminesupplement nodig zijn. Bijzondere aandacht moet worden besteed aan het voorkomen van vitamine A-toxiciteit, omdat de aanwezigheid van een leveraandoening gepaard gaat met een verhoogde gevoeligheid voor vitamine A-toxiciteit, vooral in combinatie met chronisch overmatig alcoholgebruik (zie ook Hypervitaminose A en Effecten op de lever hierboven). Gebruik bij patiënten met een afgenomen nierfunctie Bij patiënten met nierinsufficiëntie kan een individueel afgestemd vitaminesupplement nodig zijn, afhankelijk van de ernst van de nierinsufficiëntie en van gelijktijdige pathologieën. Bij patiënten met ernstige nierinsufficiëntie moet bijzondere aandacht worden besteed aan het op peil houden van de hoeveelheid vitamine D en het voorkomen van vitamine A-toxiciteit, wat kan ontstaan bij patiënten met laaggedoseerde vitamine A-supplement of zelfs zonder supplement. Er is hypervitaminose en pyridoxinetoxiciteit (vitamine B6) (perifere neuropathie, onwillekeurige bewegingen) gemeld bij patiënten met chronische hemodialyse die drie keer per week intraveneus multivitaminen met 4 mg pyridoxine kregen toegediend. Algemene controles Het is voldoende om de klinische toestand en de vitamineconcentraties te controleren bij patiënten die gedurende een lange periode parenteraal multivitaminen als enige bron van vitaminen krijgen. Het is bijzonder belangrijk om regelmatig te controleren op adequate supplementen van bijvoorbeeld:  Vitamine A bij patiënten met decubitus, wonden, brandwonden, kortedarmsyndroom of cystic fibrosis;  Vitamine B1 bij dialysepatiënten;  Vitamine B2 bij kankerpatiënten;  Vitamine B6 bij patiënten met nierinsufficiëntie;  Afzonderlijke vitaminen waaraan een hogere behoefte kan ontstaan vanwege interacties met andere geneesmiddelen (zie rubriek Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interacties). Een tekort aan één of meerdere vitaminen moet worden gecorrigeerd door een aangepaste toediening van een supplement. Vitamine K CERNEVIT bevat geen vitamine K. Die moet, indien nodig, afzonderlijk worden toegediend. Gebruik bij patiënten met een vitamine B12-tekort Er wordt een evaluatie van de vitamine B12-toestand aanbevolen alvorens te starten met een supplement van CERNEVIT bij patiënten met een risico op een vitamine B12-tekort en/of wanneer een supplement van CERNEVIT gepland is voor enkele weken. Na enkele dagen van toediening kunnen de afzonderlijke gehaltes van cyanocobalamine (vitamine B12) en van foliumzuur in CERNEVIT voldoende zijn voor een stijging van het aantal rode bloedcellen, het aantal reticulocyten en de hemoglobinewaarden bij een aantal patiënten met megaloblastische anemie in combinatie met een vitamine B12-tekort. Dit kan een bestaand vitamine B12-tekort maskeren. Voor een doeltreffende behandeling van een vitamine B12-tekort is een hogere dosis cyanocobalamine nodig dan die CERNEVIT bevat. Een supplement van foliumzuur bij patiënten met een vitamine B12-tekort maar die geen vitamine B12 krijgen, voorkomt niet dat er neurologische verschijnselen als gevolg van het vitamine B12-tekort ontstaan of dat die verergeren. Er is op gewezen dat de neurologische achteruitgang zelfs kan worden versneld. Bij de interpretatie van de vitamine B12-waarden moet er rekening worden gehouden met het feit dat recente inname van vitamine B12 kan resulteren in normale waarden, ondanks een tekort in de weefsels.

  • Aanvoer van vitaminen naar gelang van de dagelijkse behoeften van volwassenen en kinderen ouder dan 11 jaar, indien een vitaminesupplement voor injectie vereist is, bijvoorbeeld wanneer de aanvoer langs de mond gecontra-indiceerd, onmogelijk of onvoldoende is (ondervoeding, malabsorptie, parenterale voeding ?).

De werkzame stoffen in dit middel zijn:

Een injectieflacon van 5 ml bevat:

Retinol (Vitamine A) onder de vorm van retinolpalmitaat........................................................................ Cholecalciferol (Vitamine D3).................................................................................................................. Alfa-tocoferol (Vitamine E) onder de vorm van DL-ɑ-tocoferol............................................................10,20 Ascorbinezuur (Vitamine C).........................................................................................................125 mg Thiamine (Vitamine B1) onder de vorm van cocarboxylasetetrahydraat..................................................5,80 Riboflavine (Vitamine B2) onder de vorm van riboflavinenatriumfosfaatdihydraat................................5,67 Pyridoxine (Vitamine B6) onder de vorm van pyridoxinehydrochloride..................................................5,50 Cyanocobalamine (Vitamine B12).........................................................................................................0,006 Foliumzuur (Vitamine B9).....................................................................................................................0,414 Pantotheenzuur (Vitamine B5) onder de vorm van dexpanthenol..........................................................16,15 D-biotine (Vitamine B8)........................................................................................................................0,069 Nicotinamide (Vitamine PP).......................................................................................................................

De andere stoffen in dit middel zijn azijnzuur, glycocholzuur, sojalecithine, natriumhydroxide, zoutzuur.

Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interacties

Er dient op de juiste wijze omgegaan te worden met interacties tussen bepaalde vitaminen in CERNEVIT en andere middelen. Dergelijke interacties zijn onder andere:

 Middelen die benigne intracraniale hypertensie kunnen veroorzaken (waaronder bepaalde tetracyclines): verhoogd risico op benigne intracraniale hypertensie door gelijktijdige toediening van vitamine A;

 Alcohol (chronisch overmatig gebruik): verhoogt het risico op vitamine A-levertoxiciteit;  Anticonvulsiva (fenytoïne, fosfenytoïne, fenobarbital, primidon): een supplement van foliumzuur kan de concentratie anticonvulsiva in het serum verlagen en het risico op een epileptisch insult verhogen. Plasmaconcentraties van deze anticonvulsiva worden gecontroleerd in geval van gelijktijdige toediening van folaten. Klinische monitoring en eventuele monitoring van de plasmaspiegels. Indien nodig, aanpassing van de dosering van het anti-epilepticum tijdens de aanvullende toediening van foliumzuur en na de stopzetting ervan;

 Trombocytenaggregatieremmers (aspirine, ...): vitamine E kan bijdragen tot de remming van de trombocytenfunctie;

 Aspirine (behandeling met hoge doses): kan de foliumzuurconcentratie verminderen door de uitscheiding via de urine te verhogen;

 Bepaalde anticonvulsiva (bv. fenytoïne, carbamazepine, fenobarbital, valproaat): kunnen een tekort aan foliumzuur, aan pyridoxine en aan vitamine D veroorzaken.

 Bepaalde antiretrovirale middelen: een vermindering van de vitamine D-waarden is met name voorgekomen in combinatie met efavirenz en zidovudine. Een verminderde vorming van de actieve vitamine D-metaboliet is voorgekomen in combinatie met proteaseremmers;

 Chlooramfenicol: kan de hematologische respons op behandeling met vitamine B12 remmen;

 Deferoxamine: verhoogd risico op door ijzer geïnduceerd hartfalen als gevolg van een verhoogde ijzermobilisatie door suprafysiologische vitamine C-supplementen. Raadpleeg voor specifieke voorzorgen de productinformatie van deferoxamine;

 Etionamide: kan een tekort aan pyridoxine veroorzaken;  Fluoropyrimidines (5-fluorouracil, capecitabine, tegafur): verhoogde cytotoxiciteit wanneer

Zoals elk geneesmiddel kan ook dit geneesmiddel bijwerkingen hebben, al krijgt niet iedereen daarmee te maken.

De volgende bijwerkingen zijn gemeld: Vaak voorkomende bijwerkingen (kunnen optreden bij maximaal 1 op de 10 patiënten)

  • Pijn op de injectieplaats/infusieplaats Soms voorkomende bijwerkingen (kunnen optreden bij maximaal 1 op de 100 patiënten)

  • Misselijkheid, braken Bijwerkingen waarvan de frequentie niet bekend is (kan met de beschikbare gegevens niet worden bepaald)

  • Ernstige allergische reacties die levensbedreigend kunnen zijn: als u symptomen van een allergische reactie ervaart, zoals moeite met ademhalen, pijn op de borst, keelbeklemming, netelroos, huiduitslag, roodheid van de huid, buikpijn, raadpleeg dan onmiddellijk uw arts. Hij/Zij zal de infusie stoppen en de nodige noodmaatregelen treffen.

  • Verhoogd gehalte van leverenzymen

  • Verhoogd gehalte van vitamine A
  • Verhoogd gehalte van retinol-bindend eiwit
  • Smaakverandering (dysgeusie)
  • Versneld hartritme (tachycardie)
  • Versneld ademhalingsritme (tachypneu)
  • Diarree
  • Jeuk
  • Koorts
  • Algemene pijn
  • Reactie op de infusieplaats: branderig gevoel, eruptie (huiduitslag)

Het melden van bijwerkingen Krijgt u last van bijwerkingen, neem dan contact op met uw arts of apotheker. Dit geldt ook voor mogelijke bijwerkingen die niet in deze bijsluiter staan. U kunt bijwerkingen ook rechtstreeks melden via:

Federaal agentschap voor geneesmiddelen en Gezondheidsproducten Afdeling Vigilantie EUROSTATION II Victor Hortaplein, 40/ 40 B-1060 Brussel Website: www.fagg.be e-mail: patientinfo@fagg-afmps.be

Door bijwerkingen te melden, kunt u ons helpen meer informatie te verkrijgen over de veiligheid van dit geneesmiddel.

CERNEVIT mag niet worden gebruikt bij:

  • Overgevoeligheid voor de werkzame stoffen, meer bepaald voor vitamine B1, of voor een van de vermelde hulpstoffen, of voor soja-eiwitten/soja-producten (de lecithine van de gemengde micellen is een derivaat van soja) of voor pinda-eiwitten/pindaproducten.

  • reeds bestaande hypervitaminose

  • pasgeboren kinderen, zuigelingen en kinderen jonger dan 11 jaar

Bent u zwanger, denkt u zwanger te zijn, wilt u zwanger worden of geeft u borstvoeding? Neem dan contact op met uw arts of apotheker voordat u dit geneesmiddel gebruikt. Zwangerschap Tijdens de zwangerschap kunt u dit middel zo nodig toegediend krijgen, mits de indicatie en de aanbevolen dosering worden gevolgd opdat een overdosis aan vitaminen wordt vermeden. Borstvoeding Het gebruik van CERNEVIT wordt niet aanbevolen als u borstvoeding geeft. Als u borstvoeding geeft terwijl u CERNEVIT gebruikt, kan uw baby een overdosis aan vitamine A krijgen.

Volwassenen en kinderen > 11 jaar

  • Gebruikelijke dosering: 1 flacon per dag
  • Verhoogde behoeften (zoals bij ernstige brandwonden): 2 tot 3 flacons per dag

Toedieningswijze

  • Injectieflacon zonder BIO-SET, reconstitutie juist vóór de toediening met 5 ml water voor injecties, glucoseoplossing 5 % of natriumchlorideoplossing 0,9 %
  • De eindoplossing heeft een geeloranje kleur
  • Injectieflacon met BIO-SET, reconstitutie rechtstreeks uitvoeren in de zakken (instructies in de bijsluiter)
  • Duur van de intraveneuze injectie: ten minste 10 minuten
  • Infuus: na reconstitutie, in een glucoseoplossing 5 % of een natriumchlorideoplossing 0,9 %
  • De inhoud van de injectieflacon wordt onmiddellijk vóór de toediening opgelost in 2,5 ml water voor injecties
CNK 0284463
Organisaties Baxter
Merken Baxter
Breedte 129 mm
Lengte 153 mm
Diepte 30 mm
Hoeveelheid verpakking 10
Actieve ingrediënten ascorbinezuur, biotine, cocarboxylase, colecalciferol, cyanocobalamine, dexpanthenol, foliumzuur, nicotinamide, pyridoxine hydrochloride, retinol palmitaat, riboflavine natriumfosfaat, α-tocoferol
Behoud Kamertemperatuur (15°C - 25°C)